Ik zag drie beren…

We gaan even terug in de tijd – deze blog schreef ik al in mei, alleen liet publicatie even op zich wachten. Omdat het soms ook gewoon heel heftig is, om altijd maar met jezelf bezig te moeten zijn. Vandaag, 10 oktober, World Mental Health Day, leek me een mooi moment om weer van start te gaan. 

Drie beren? Alsof eentje niet meer dan genoeg was. Maar, dat is goed nieuws. Want het waren altijd al drie beren, alleen, ik zag ze niet. Ze hadden zich vermomd. Als één grote, gevaarlijke beer, met vele gedaantes. Terwijl ze stuk voor stuk helemaal niet zo gevaarlijk zijn. Hadden ze mij even flink te pakken.

De laatste weken zijn er wat kwartjes gevallen. Zo heb ik geen paniekstoornis, maar een gegeneraliseerde angststoornis (GAS) met dwanggedachten. Zo begrijp ik nú pas dat ik eigenlijk mijn hele leven al redelijk gevoelig ben voor teveel prikkels. (Jij? Ja ik!) En als laatste: mijn angststoornis is mijn zwakke plek. Een symptoom dus, van eigenlijk een heel ander probleem. Gaat het duizelen? Bij mij inmiddels niet meer. Ik leg het je uit.  

GAS

Ik heb dus geen paniekstoornis, maar een gegeneraliseerde angststoornis. Dat stond in december al ergens op papier, maar ik moet je eerlijk bekennen dat ik daar niet zoveel mee kon. Ik dacht alleen maar: het beestje moet een naam hebben. Dat blijkt toch niet helemaal waar. Maar, het duurde even voor dat kwartje viel.

Als je over GAS leest, dan staat er meestal zoiets als:

Mensen met een gegeneraliseerde-angststoornis zijn overmatig angstig en bezorgd over dagelijkse dingen. Ze piekeren over dingen die hen zouden kunnen gebeuren, zonder dat daar direct een aanleiding voor is. Hun zorgen gaan bijvoorbeeld over geld, gezondheid, presteren op het werk, of dat hun dierbaren iets ergs overkomt.

Bron: www.wijzijnmind.nl

Als ik dat las, dacht ik: nope, not me! Ik ben oprecht geen piekeraar. Tenminste, ik lig niet wakker over 1.001 dingen. Ik lig wakker over één ding: mezelf. Over mezelf heb ik wél al 1.001 scenario’s bedacht. Maar dat was het resultaat van een paniekstoornis waar ik nooit goed mee om had leren gaan, dacht ik. Dan evolueert dat door in een soort algehele, dagelijkse angst. Dacht ik.

Bang voor je eigen gedachten

Tot vrijdag 22 maart, tot ongeveer 16.30 uur. Toen schoof mijn regiebehandelaar aan in een sessie cognitieve gedragstherapie en schoffelde heel mijn theorie over mezelf onderuit. Want hij zei: “Paniekaanvallen zijn vaak het symptoom van een onderliggend angstprobleem. Jij hebt geen angst voor specifieke objecten, mensen of situaties. Jij bent bang voor je gedachten. Jij denkt na over je gedachten en schat de risico’s van die gedachten veel te hoog in. En jij onderschat de mogelijkheden van jezelf om daar iets aan te doen. Dát is precies de essentie van gegeneraliseerde angst.” En toen was ik even stil.

Denken over je denken

Het klopte als een bus. Er viel geen kwartje, nee, het volledige prijzengeld van de eindejaarstrekking van de Staatslotterij viel voor mijn neus op de grond. Dit wat ik heb, bestáát dus gewoon. En er is nog therapie voor ook. Nu begreep ik ook waarom ik nooit echt iets kon met de klassieke cognitieve gedragstherapie. Want dan ging we steeds specifieke situaties uitmelken. Terwijl, op die situaties was geen pijl te trekken. Het kon van alles zijn, wat die tsunami in mijn hoofd triggerde. Ik was inmiddels doorgewinterd in G-schema’s maken, maar het hielp me niet.

Metacognitieve therapie

Een variant van cognitieve gedragstherapie (CGT), speciaal voor mensen met een gegeneraliseerde angststoornis, is metacognitieve therapie (MCT). Deze redelijk nieuwe therapievariant richt zich op de opvattingen die patiënten hebben over hun beangstigende gedachten en disfunctionele gedragingen, in plaats van op de inhoud van de beangstigende gedachten. Kort door de bocht: je gaat de gedachten over je gedachten onderzoeken. En dat is wat we vanaf dat moment deden.

Beer 1 was gevonden. Beer 2 en 3 meldden zich kort daarna. Datzelfde weekend nog.

(Hoog)gevoelig

Ik weet het. Over hooggevoeligheid schrijven is ingewikkeld. Het is een hype, volgens de wetenschap bestaat het niet en iedereen bedoelt er eigenlijk iets anders mee. Maar, omdat het onderwerp steeds als een soort boomerang terug op mijn pad komt, ben ik me er toch maar in gaan verdiepen.

(En ja, ook ik krijg bulletjes van die hele hooggevoeligheidsindustrie. Alsof het iets verhevens is, iets extra’s. Of een excuus.)

Gelukkig stuitte ik al snel op een verhelderend artikel van De Volkskrant van 16 november 2018: Hoogsensitief zijn: bestaat dat echt, of ben je gewoon overdreven emotioneel?’ En daarin staat een hele concrete omschrijving: je zenuwstelsel is gewoon gevoelig afgesteld. Er komt meer binnen. En de verwerking duurt daarom langer. Niet zweverig. Niks extra’s. Geen excuus. Gewoon een eigenschap, die in de prehistorie best handig was, maar die in de huidige maatschappij iets minder van pas lijkt te komen.

Afschakelen en verwerken

In ieder geval: ik weet heel mijn leven al dat ik veel verwerkingstijd nodig heb. Ja, ik ben ook spontaan, gezellig, werk hard en alles, maar, ik heb veel afschakeltijd nodig. Om te verwerken en te ordenen. Niet eens heel bewust. Zo gaat dat, bij mij. Ik heb dat vooral ook altijd heel irritant gevonden. Dat mijn hoofd nooit uit staat. Dat ik nu eenmaal veel slaap nodig heb. Dat ik tijd voor mezelf nodig heb. Dat ik niet de soort ben die 300 ballen tegelijk in de lucht kan houden. Slappeling.

In ieder geval: ik weet nu dat (hoog)gevoeligheid voor mij echt bestaat en ik niet alleen maar overdreven emotioneel ben. En, dat er rondom deze beer een hele subcultuur bestaat, komt alleen maar goed uit. Dat maakt het zoeken naar de juiste danspassen alvast een stukje makkelijker.

Opgebrand

Okee. Ik heb dus een generaliseerde angststoornis en ik ben gevoelig. Dat weten we dan nu. Fijn. Daar kunnen we aan werken. Maar, waarom blijft dat lijf dan maar op tilt slaan? Ik kan nu toch gewoon bedenken dat ik het morgen allemaal anders ga doen, en dan is het dat toch? Waarom werkt dat dan niet?

Omdat ik op ben. Omdat ik mijn lichaam veel te lang genegeerd heb. Omdat ik mijn lichaam de tijd moet geven om te herstellen. Want, ook dat is écht zo: als je maar lang genoeg over je grenzen heen wandelt, dan raakt je lijf van slag. Letterlijk. Dan klopt het hormonaal van geen kanten meer. Ik kan hele verhalen op gaan hangen over je autonome zenuwstelsel (en dat ga ik in een volgend blog ook zeker doen), maar in het kort komt het op het volgende neer: je gas- en rempedaal zijn stuk. En dat repareer je niet met een paar schroefjes. Dat heeft tijd nodig. Heel veel tijd.

Opluchting

Okee, drie beren dus. Die ik het afgelopen jaar al beter heb leren kennen. Die ik steeds beter uit elkaar kan houden. Die ik mag leren om uit elkaars buurt te blijven. Mag gaan leren om niet steeds samen te spannen.

Daarover in volgende blogs heel veel meer.

Geef een reactie